Buurman:
“Oh, jij bent thuis… vakantie zeker?”
Leerkracht (kijkt op van wasmand en koffie):
“Goedemorgen! Ja, vakantie.”
Buurman:
“Lekker hoor. Jullie leven echt van vakantie naar vakantie hè?”
Leerkracht:
“Absoluut. Ik word ’s ochtends wakker met het heerlijke vooruitzicht van de zomervakantie. Tussen mijn oogharen door zie de herfstvakantie al schemeren en dan is het nog maar een vingerknip tot aan de kerstvakantie.”
Buurman (grijnst):
“Zie je wel! Dat dacht ik al.”
Leerkracht:
“Alleen… vandaag staat op de planning: herstellen van stem, spieren en moreel kompas.”
Buurman:
“Herstellen? Waarvan dan? Je hebt toch net vakantie?”
Leerkracht:
“Van het begeleiden van 28 leerlingen, 56 ouders, ingraven in een nieuwe methode, schrijven en bijstellen van vier handelingsplannen, voorbereiden en bijwonen van een overleg en de rust bewaren voor mijn leerlingen tijdens en na het brandalarm. Tenminste, zo zag mijn laatste werkdag voor de vakantie er uit.”
Buurman:
“Maar vakantie is toch vrij?”
Leerkracht:
“Vrij van leerlingen, ja. Maar niet van nadenken. Gisteren betrapte ik mezelf erop dat ik in de supermarkt een differentiatiestrategie bedacht bij het koelvak met brie. En bij de pindakaas bedacht ik dat het fonteintje in de klas verstopt was; smeuïg tot op de bodem.”
Buurman:
“Echt waar?”
Leerkracht:
“Zeker. En morgen ga ik ‘even rustig’ het nieuwe jaarplan doornemen. Gewoon voor m’n ontspanning.”
Buurman:
“Dat klinkt niet echt als vakantie.”
Leerkracht:
“Het is onderhoud. Zoals je auto naar de garage brengt. Alleen is mijn APK mentaal, emotioneel en pedagogisch.”
Buurman (knikt begrijpend):
“Dus jullie hebben niet veel vakantie?”
Leerkracht:
“Jawel. Maar we hebben het nodig om daarna weer vol aan te kunnen. Zie het als oplaadtijd.”
Buurman:
“Dat klinkt eigenlijk best logisch.”
Leerkracht (pakt jas):
“Precies. En nu ga ik iets radicaals doen.”
Buurman:
“Wat dan?”
Leerkracht:
“Niks.”
(Silence. Onderwijsvakantie op z’n best.)
